De vorige keer ging ik in op de vraag: ‘Zijn Gods beloften ook voor mij?‘ Ik heb die vraag beantwoord op basis van een preek van Ralph Erskine. Nu vrezen sommigen dat een ruime Evangelie- en beloftenprediking tot oppervlakkig geloof leidt. Zij leggen daarom de nadruk op de volgorde van wet en Evangelie, en zeggen: ‘Eerst komt de wet. Voor zondaren die door de wet verslagen en verbrijzeld zijn, volgen de belofte en nodiging van het Evangelie.’ Men denkt die volgorde van wet en Evangelie terug te zien in de prediking van de Erskines. Citaten uit de preken van Ebenezer en Ralph Erskine moeten aantonen dat de beloften volgens hen alleen voor de uitverkorenen zijn bestemd, en dat de uitnodigingen van het Evangelie alleen aan ontdekte zondaren zijn gericht.
In dit artikel wil ik laten zien hoe de Erskines in de prediking omgaan met de verhouding tussen wet en Evangelie en met de spanning tussen verkiezing en belofte. Ik doe dit op basis van de studie van dr. P.H. van Harten naar de prediking van de Erskines. [1]Dr. P.H. van Harten, De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine: Evangelieverkondiging in het spanningsveld van verkiezing en belofte (‘s-Gravenhage: Uitgeverij Boekencentrum, 1986).
Het is niet mijn bedoeling om het gevaar van ‘oppervlakkig geloof’ weg te moffelen. Dat is levensgevaarlijk. Alleen instemmen met de beloften is nog niet hetzelfde als Christus in het geloof ontvangen. Maar de angst daarvoor mag niet leiden tot een voorwaardelijke prediking, want ook dat is levensgevaarlijk. De prediking van de Erskines laat ons op het scherpst van de snede zien hoe beide gevaren voorkomen kunnen worden. Daarbij maken ze onderscheid tussen de weg waarlangs God zondaren tot Christus brengt en de grond waarop zij tot Hem mogen gaan.
Voor de Erskines is de prediking van het Evangelie en van de belofte het belangrijkste onderdeel van de prediking van het Woord van God. Maar dat neemt volgens hen niet weg dat het prediken van de wet noodzakelijk is voor de overtuiging van zondaren. Het meest vrije, ruime aanbod van genade wordt niet in geloof aangenomen zolang zondaren niet overtuigd zijn van hun zonde en ellende. Ralph Erskine zegt letterlijk: ‘Ik hoef niet van de liefde Gods tot u te spreken, zolang u niet overtuigd bent van zonde en geen besef hebt van de toorn van God, die rechtvaardig op u rust; tot u te spreken van Zijn genade en liefde zal maar verloren tijd zijn.’ [2]Harten, 117-118
Volgens de Erskines moet de prediking van de wet ontmaskerend zijn, ze moet ons geweten raken en ons wakker schudden. De Heilige Geest gebruikt de wet om te overtuigen van zonde en te vernederen. De Geest brengt ons tot wanhoop aan onszelf zodat we Christus nodig krijgen. [3]Harten, 121
De wet met haar geboden en bedreigingen werkt dus als voorbereiding op het Evangelie. De Erskines grossieren in voorbeelden die dit uitleggen. De wet is als het mes in de hand van de dokter om de wond te openen, het Evangelie is de zalf om te genezen. De wet is als een ploeg, het Evangelie is het goede zaad. En misschien wel het bekendste voorbeeld: de naald van de wet maakt plaats voor en wordt gevolgd door de draad van het Evangelie. [4]Harten, 121-122 Uit deze voorbeelden blijkt dat de Erskines de wetsprediking nadrukkelijk zien als dienstbaar aan het Evangelie. Dat Evangelie staat dan ook centraal in hun preken en bepaalt de hoofdinhoud ervan. Ook de prediking van Gods vergevende genade kan het verharde hart verbreken.
Dat roept de vraag op hoe diep de overtuiging door de wet moet zijn. Moeten we eerst weten of we genoeg overtuigd zijn voordat we tot Christus mogen gaan? Volgens de Erskines is iedere mate van overtuiging door de wet genoeg, zolang dit er maar toe leidt dat we Christus aannemen. We hoeven niet al onze zonden precies te kennen. Het is niet nodig alle druppels van de zee te proeven om te weten dat het water zout is. We hoeven ook niet bereid te zijn om verloren te gaan. Het werk van de wet is erop gericht ons te laten afzien van al onze eigen gerechtigheid. [5]Harten, 124
De Erskines benadrukken dus dat het werk van de wet nodig is, maar dat betekent niet dat de belofte van het Evangelie en het aanbod van genade alleen voor ontdekte zondaren zijn. Dat zou betekenen dat we onszelf eerst moeten onderzoeken om te weten of we naar Christus mogen gaan. Zo’n voorwaardelijk aanbod van genade bestrijden ze juist. Ze beschrijven de manier waarop God doorgaans zondaren tot Christus brengt, maar tegelijkertijd houden ze de gemeente voor dat ze aan geen enkele voorwaarde hoeven te voldoen voordat ze gebruik mogen maken van het Evangelie. [6]Harten, 125, 156
De vorige keer heb ik al laten zien hoe Ralph Erskine over de beloften spreekt. De beloften zijn uiteindelijk bestemd voor de uitverkorenen; alleen zij ontvangen de vervulling ervan. Dat gegeven is echter niet het uitgangspunt in de prediking en het pastoraat van de Erskines. [7]Harten, 127 Zij onderscheiden drie relaties met de beloften: [8]142
God richt de belofte van het Evangelie tot iedere hoorder, maar alleen wie die belofte gelooft, ontvangt wat Hij belooft. Iedereen heeft het ‘recht van toegang’ tot de beloften en mag de beloften geloven en aannemen, maar alleen degenen die dat daadwerkelijk doen, kunnen weten dat ze uitverkoren zijn.
De Erskines hadden een dialogische stijl van preken: ze noemden allerlei mogelijke bezwaren die luisteraars konden hebben en gingen daar dan op in. Daarbij gebruikten ze vooral de beloften. Op ieder bezwaar en iedere tegenwerping van een luisteraar dat hij te zondig is, dat het Evangelie niet voor hem is, dat hij zijn schuld niet genoeg beseft enzovoort, antwoorden ze met een belofte uit de Bijbel. Er is volgens hen geen situatie waarvoor de Bijbel geen belofte bevat. [9]Harten, 130-131
De Erskines hebben gestreden tegen de wettische, voorwaardelijke prediking in hun dagen. Ze zagen dat de wet en het Evangelie vaak werden vermengd. De wet is volgens hen een gebod, het Evangelie een belofte. Het Evangelie moet niet vermengd worden met eisen en voorwaarden, want dan vermeng je het met de wet. [10]Harten, 133 In het bijzonder wijzen ze erop dat geloof en berouw geen voorwaarden zijn voor het aanbod van het Evangelie. Het geloof is een instrument waarmee we de beloften en het beloofde ontvangen. Het is de hand van de bedelaar die het heil ontvangt.
Het geloof is een gave van God, maar die gave wordt ook door Hem beloofd. Als Hij het geloof niet zonder voorwaarden beloofde, zou niemand kunnen geloven. Dat God ons tot geloof roept en het geloof Zelf schenkt, houden de Erskines bij elkaar. Onze onmacht heft de oproep tot geloof niet op. [11]Harten, 135-136 De grond van deze vrije genade ligt in Christus, Die alle voorwaarden voor de zaligheid heeft vervuld. Ook het geloof mogen we daarom zonder voorafgaande geschiktheid bij Hem zoeken.
De Erskines benadrukken daarnaast, net als Thomas Boston, dat berouw geen voorwaarde is om tot Christus te gaan. Daarbij maken ze onderscheid tussen wettisch berouw en evangelisch berouw. Als berouw een voorwaarde wordt om het Evangelie te mogen geloven, noemen ze dat wettisch berouw. Niemand kan zich ooit geschikt maken voor het Evangelie. Andersom is het Evangelie juist wel geschikt voor zondaren. Echt evangelisch berouw gaat niet vooraf aan het geloof, maar komt eruit voort. [12]Harten, 136-138
Hiermee zeggen de Erskines niet dat de overtuiging door de wet niet nodig is, maar dat die overtuiging erop gericht is om ons van elke voorwaarde af te brengen. De overtuiging door de wet is dus geen voorwaarde om tot Christus te gaan, maar die overtuiging laat ons zien dat we geen enkele voorwaarde zelf kunnen vervullen. Als de Heilige Geest onze ogen opent zullen we nooit de conclusie trekken dat we genoeg kennis van onze ellende hebben. Daarom is onvoorwaardelijke Evangelieprediking zo belangrijk.
De Bijbelse waarheid dat alleen de uitverkorenen in de vervulling van de beloften zullen delen, vormt geen verhindering voor de beloftenprediking van de Erskines. Het verband tussen Gods verkiezing en Zijn beloften levert veel pastorale vragen op. Die vragen behandelen ze expliciet in hun prediking. De Erskines ontwijken de leer van de uitverkiezing niet, maar drukken hun luisteraars op het hart: laat dit aan God. De verborgen dingen zijn voor de HEERE. Wie zich buiten het geloof met Gods verborgen besluiten bezighoudt, doet het werk van een kwaadaardige duivel. [13]Harten, 142 De Erskines roepen luisteraars op zichzelf niet van de beloften uit te sluiten. Iedereen die de Evangeliebeloften hoort, mag deze zonder voorwaarden geloven. Wie de beloften gelooft en aanneemt, mag delen in het heil dat God belooft.
Ralph en Ebenezer Erskine prediken niet alleen dat de beloften aan iedereen zijn gericht, en dat we niet aan bepaalde voorwaarden hoeven te voldoen voordat we ze mogen geloven. De broers benadrukken ook dat de beloften welmenend zijn. God spreekt tot iedere zondaar in het bijzonder, alsof Hij hem met naam en toenaam roept. De Erskines bieden Christus nadrukkelijk aan iedere luisteraar aan en onderstrepen dat God het oprecht meent als Hij Zijn beloften laat prediken. Twijfel daaraan zien ze als één van de oorzaken van het ongeloof. [14]Harten, 143-144, 150
De Erskines kunnen niet logisch verklaren hoe het mogelijk is dat God Zijn genade welmenend aanbiedt, terwijl Hij alleen de uitverkorenen het geloof schenkt om dit aanbod aan te nemen. Ze proberen dit wel pastoraal uit te leggen. Ze zeggen: als iemand een geldbedrag aanbiedt, meent hij dit echt, ook als men weigert het geld in ontvangst te nemen. En: je kunt iemand niet van ontrouw beschuldigen als hij belooft een vrouw te trouwen, maar zij dat weigert. Zo leggen de Erskines de schuld van het niet zalig worden bij ons ongeloof. [15]Harten, 154 Ze hebben een afkeer van passiviteit. [16]Harten, 160
De prediking van de Erskines is sterk appellerend. Ze sporen hun luisteraars aan de toevlucht te nemen tot Christus. Ze wijzen er graag op dat God de Vader uitdrukkelijk gebiedt Christus aan te nemen (1 Joh. 3:23). Alle belemmeringen zijn weg of kunnen worden weggenomen. De weg naar God in Christus is open. Het is geen ‘aanmatiging’ of ‘vermetelheid’ om tot Christus te gaan. Hoe zou het dat kunnen zijn, als God het gebiedt? En de God Die jou gebiedt je verlamde hand uit te strekken, zal je ook de kracht daarvoor geven. [17]Harten, 157-159
De Erskines leren ons te beginnen bij Gods geopenbaarde belofte. Dat alleen de uitverkorenen de beloofde zaligheid ontvangen, betekent niet dat de beloften alleen tot hen zijn gericht. Iedereen tot wie de belofte komt, wordt door God welmenend aangesproken en mag daarop tot Christus gaan. We hoeven niet eerst te weten of we uitverkoren zijn of onze zondigheid genoeg beseffen. De wet laat ons zien dat we Christus nodig hebben en ontneemt ons alle grond in onszelf. Het recht om tot Christus te gaan, ligt in Gods eigen nodiging en belofte.
Dat betekent niet dat we dit vanuit onszelf kunnen. De kracht om tot Christus te gaan, schenkt God in de wedergeboorte, bij de krachtdadige (of: inwendige) roeping. Deze krachtdadige roeping beschrijven de Erskines als ‘de stem in de stem’: Christus komt met Zijn almachtige stem tot een zondaar, via de uitwendige stem van de predikant. [18]Harten, 165-168 We hoeven deze kracht echter niet eerst in onszelf te herkennen voordat we de belofte mogen geloven. Bovendien belooft God ook de gave van het geloof onvoorwaardelijk. Zo komt alles bij de Erskines altijd weer terug bij de belovende God!
Het visnet van het Evangelie is geopend voor allen. O, zondaar! De belofte wordt u aangeboden. Als zij gepaard gaat met de kracht van geloof, is de vervulling ervan zeker. Christus, aangeboden en vervat in de belofte, is het geneesmiddel voor al uw kwalen. [19]Ralph Erskine, in een preek over Galaten 4:28, bron .
O mensen, vertrouw u toe aan Gods beloftewoord en geloof dat dit volkomen betrouwbaar is. Hij Die het beloofd heeft, is getrouw. [20]Ebenezer Erskine, in een preek over Lukas 2:28, eigen vertaling, bron.
Er zijn nog geen reacties
Mijn naam, e-mail en site opslaan in deze browser voor de volgende keer wanneer ik een reactie plaats.
Ik meld mij aan voor de nieuwsbrief zodat ik op de hoogte wordt gehouden van nieuwe artikelen
Δ
Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg een e-mail als er nieuwe artikelen zijn.
Het digitale boek op deze website bevat een diepgaande studie naar de historische discussies over het aanbod van genade. Ik laat zien hoe theologen sinds de Reformatie aankijken tegen het spanningsveld tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid. Daarnaast bespreek ik de verschillende dwalingen rondom dit thema en hoe de gereformeerde theologen hierop gereageerd hebben. Begin met lezen!
Or copy link