‘Wat heb ik aan het aanbod van genade als ik het toch zelf niet kan aannemen?’ ‘Wat is komen tot Christus precies en hoe weet ik of ik écht gekomen ben?’ ‘Als ik niet in mezelf moet zoeken, maar op Gods beloften mag vertrouwen, hoe weet ik dan dat ik het mezelf niet aanpraat?’ ‘Hoe weet ik of mijn geloof echt is?’ Een greep uit de vragen die ik regelmatig krijg, als reacties op blogposts of via privéberichten. Achter deze vragen schuilt vaak een diepe worsteling.
Dit is een worsteling van alle tijden. De Schotse predikant James Durham (1622-1658) sprak in zijn tijd ook veel mensen die hiermee in de knoop zaten. Hij was een predikant die het Evangelie heel ruim en warm aanbood, maar tegelijk eerlijk wees op de noodzaak van een oprecht geloof. Laten we eens kijken hoe hij deze moeilijke vragen beantwoordt.
Allereerst ruimt Durham een groot misverstand uit de weg: wij denken vaak dat geloof iets is wat we zelf moeten presteren. Maar als we van het geloof een voorwaarde maken die we zelf moeten vervullen, gaan we buiten de gezonde bandbreedte van de gereformeerde leer. Durham zegt: het geloof redt je niet, Christus redt je. Geloof is alleen maar het instrument, de lege hand die je uitsteekt om de gerechtigheid van Jezus te ontvangen.
Durham omschrijft geloof heel kernachtig: ‘Het is zoals het grijpen van iemand die in gevaar is om te verdrinken naar een rots of een touw. Het is het gaan van een verloren zondaar uit zijn ernstige benauwdheid vanwege zijn eigen slechtheid en verloren staat, om zich op Jezus Christus te werpen tot verkrijging van het leven door Hem.’ Ergens anders schrijft Durham dat geloven is als stoppen met op je eigen benen te staan en je als een ziek mens laten neervallen op een zacht bed om te rusten.
De daad van het geloof bestaat volgens Durham uit vier zaken:
Om dit uit te leggen gebruikt Durham een sprekend voorbeeld:
Stel je een groep rebellen voor die tegen de koning in opstand is gekomen. Ze verdienen de doodstraf. Maar de koning laat omroepen: ‘Iedereen die zijn wapens neerlegt en zich overgeeft, krijgt volledige gratie.’ Om gered te worden, moeten de rebellen deze afkondiging kennen. Ze moeten toestemmen dat ze inderdaad schuldig zijn en dat dit hun enige redding is. Vervolgens moeten ze de wapens willen neerleggen en de gratie aannemen. En ten slotte moeten ze erop vertrouwen dat de koning zich aan zijn belofte houdt en hen niet alsnog straft.
Dat is wat geloven is: je wapens neerleggen en de Koning op Zijn Woord geloven.
Durham roept zijn hoorders regelmatig op tot zelfonderzoek. Hij waarschuwt tegen oppervlakkigheid: geloof is niet zomaar een vlaag van emotie, het is niet slechts verstandelijk aannemen dat de Bijbel waar is, en het is al helemaal niet bouwen op je eigen goede gedrag.
Maar dan komt er een heel belangrijk punt. Wat doet Durham niet als hij waarschuwt voor schijngeloof? Hij maakt de beloften van God nooit verdacht! Soms gebeurt dat juist wel. Uit angst voor een schijngeloof wordt dan minder nadruk gelegd op het aanbod van genade en de oproep tot geloof. In plaats daarvan worden mensen vooral aangespoord om te zoeken naar kenmerken van ellende en berouw in hun eigen hart, vóórdat ze naar Jezus mogen gaan. Het gevaar van hypercalvinisme ligt dan op de loer.
Durham waarschuwt nadrukkelijk dat de grond van je geloof nóóit een bepaald gevoel in jezelf mag zijn. Het fundament ligt buiten jou: in het Woord van God.
Hij zegt hierover:
Maar het is, zoals ik gezegd heb, een hoofdkenmerk van het zaligmakende geloof, dat het rust op Christus zoals Hij in het Woord wordt voorgesteld, en dat het op grond van het Woord Hem aangrijpt en op Hem rust. (…) Het geloof neemt Gods getrouwheid in Zijn Woord aan, en grijpt Hem hierin aan. Christus is de zaak Die gelukkig maakt, maar Gods getrouwe belofte is de grond waardoor wij een recht daarop verkrijgen. (…) Velen begeren en verwachten het goede van God, maar krijgen dit niet omdat hun verwachting niet gegrond is op Zijn Woord en omdat men Gods getrouwheid in Zijn Woord niet aangenomen heeft.
Durham geeft hier een belangrijke les mee: echt geloof is gebaseerd op de betrouwbaarheid van Gods Woord; op het feit dat God meent wat Hij zegt, en dat Hij ons persoonlijk aanspreekt als we biddend de Bijbel opendoen op zoek naar antwoorden.
Hoe kunnen we weten dat we oprecht geloven? Durham noemt de volgende kenmerken van een echt geloof:
Durham wil zwakgelovigen niet ontmoedigen. Denk niet dat je alleen een echt geloof hebt als je genoeg liefde en heiligheid in jezelf ontdekt, want die zullen altijd tekortschieten. Maar we kunnen geloof voor oprecht geloof houden, zegt Durham, als we voor alles Christus nodig hebben en het alleen van Hem verwachten in onze strijd met de zonde en de duivel.
Wat we terugzien in deze door Durham genoemde kenmerken is dat geloven een voortdurende beweging is. Het is niet iets wat je eenmalig krijgt en wat daarna nooit meer verandert of aangevochten wordt. Durham vergelijkt de verhouding tussen de gelovige en Christus vaak met een huwelijk. In een goed huwelijk zijn er dagen van diepe, voelbare liefde en vreugde. Maar er zijn evengoed periodes van kou, misverstanden, of momenten dat je de verbinding even helemaal kwijt bent.
Wat doe je in zo’n lastige periode? Je redt je huwelijk niet door alleen maar weemoedig terug te bladeren in je trouwalbum en te hopen dat dat gevoel van toen vanzelf terugkomt. Nee, je investeert in de ander, je zoekt de ander op, je doet wat de ander nodig heeft en je kiest ervoor om trouw te blijven, óók als je dat op dat moment even helemaal niet voelt. Vaak volgt het warme gevoel daarna pas weer op de daad.
Zo is het ook in het geloof. Al is het geloof geen ‘werk’ van de mens zelf, maar een ‘instrument’, dat instrument moet wel gebruikt worden. Laat je in een periode van dorheid of twijfel daarom niet verlammen door de vraag: ‘Is er in het verleden wel ooit een moment geweest waarop ik het ware geloof heb ontvangen?’ Die vraag drijft je alleen maar bij Hem vandaan. Stel jezelf in plaats daarvan de vraag: ‘Vlucht ik op dít moment, vandaag, met al mijn zonden en twijfels naar Christus toe?’ Zoek Hem biddend op in Zijn Woord, ook als je geen antwoord lijkt te krijgen. Geloven is immers geen bezit dat je veilig in je binnenzak steekt, maar het elke dag opnieuw uitsteken van die lege hand om Zijn onwankelbare beloften vast te grijpen.
(Lees hier hoe de puritein Richard Sibbes op dezelfde manier schrijft over de grond en zekerheid van het geloof).
Maar wat nu als je jezelf onderzoekt en concludeert dat je geen echt geloof hebt? Misschien zeg je: ‘Ik weet helemaal niet of ik wel uitverkoren ben, of Jezus wel voor míj gestorven is. Dan mag ik toch niet zomaar geloven?’
Durham noemt dit een belediging voor Gods genade. Niemand is buiten het bereik van Jezus’ offer! Tegen de gedachte ‘Ik weet niet of ik wel in het verbond of de uitverkiezing ben begrepen,’ gebruikt hij het Bijbelse beeld van de vrijstad uit het Oude Testament. Als iemand per ongeluk een doodslag had begaan, moest hij naar een speciaal daarvoor aangewezen vrijstad vluchten, waar hij veilig zou zijn voor de bloedwreker. Zou jij denken dat zo iemand er goed aan deed als hij zich niet onmiddellijk daarheen haastte, maar eerst piekerde: ‘Ik weet niet zeker of die vrijstad wel speciaal voor mij is gebouwd’? Natuurlijk niet! Zelfs al was hij zwak en gewond, hij moest zo snel mogelijk naar de stad strompelen en desnoods kruipen. Zo moet jij je niet afvragen of de zaligheid wel voor jou is. Vlucht naar de Schuilplaats, wacht niet langer!
Nergens in de Bijbel krijg je de opdracht om eerst in de verborgen boeken van Gods uitverkiezing te kijken. Je krijgt wél de opdracht om Zijn geopenbaarde Evangelie te geloven. En je moet niet alleen geloven, je mag ook geloven. De grond voor het geloof ligt nooit in de verborgen wil van God, maar in Zijn geopenbaarde wil, waarmee Hij in het Evangelie iedereen roept, niemand uitgezonderd. De grond van het geloof is het aanbod van genade in het Evangelie, zegt Durham.
Twijfel je of je mag komen? Wacht niet op een hoorbare stem uit de hemel. Wacht niet tot je voelt dat je berouw diep genoeg is. Vlucht naar de poort van de Vrijstad, al is het strompelend door al je twijfels. Christus, de Vrijstad, heeft nog nooit iemand weggestuurd (Joh. 6:37).
Hoe doe je dat, ‘komen tot Christus’? Vertrouw Hem op Zijn Woord. Geloof dat God het meent als Hij ook jou Zijn Zoon aanbiedt, Zijn genade aanbiedt. Lees de Bijbel biddend en mediterend, in het besef dat God dan tot je spreekt. Zo leer je meer en meer Wie God in Christus is (kennen), wie je zelf bent als zondaar (toestemmen), en mag je leren vertrouwen dat de Heere Jezus ook jou kan en wil zaligmaken (aannemen en vertrouwen). Biddend om het werk van de Heilige Geest, Die via het Woord werkt (Rom. 10:17; 1 Thess. 2:13; 1 Petr. 1:23; Ef. 6:17; Joh. 6:63; Hand. 16:14).
—————
Dit artikel is gebaseerd op het boek: James Durham, Christus gekruist of het merg van het Evangelie – 72 preken over Jesaja 53 (Den Hertog, 2022). Vooral de preken 4, 5, 6, 12, 24 en 60.
Mijn naam, e-mail en site opslaan in deze browser voor de volgende keer wanneer ik een reactie plaats.
Ik meld mij aan voor de nieuwsbrief zodat ik op de hoogte wordt gehouden van nieuwe artikelen
Δ
Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg een e-mail als er nieuwe artikelen zijn.
Het digitale boek op deze website bevat een diepgaande studie naar de historische discussies over het aanbod van genade. Ik laat zien hoe theologen sinds de Reformatie aankijken tegen het spanningsveld tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid. Daarnaast bespreek ik de verschillende dwalingen rondom dit thema en hoe de gereformeerde theologen hierop gereageerd hebben. Begin met lezen!
Or copy link